Korte kenschets
Landhuis, bekend als kasteel Staverden, met gracht en tuin, hier vlakbij een waterrad en witte pauwen. Zeer gevarieerd oud bos- en cultuurlandschap langs de Staverdense Beek. Fraaie bossen en beukenlanen afgewisseld met akkers, weilanden en monumentale boerderijen. Verder bloemrijke beekdalgraslanden, heideveldjes, en graanakkers met akkeronkruiden.
Geo(morfo)logie
Staverden ligt op het laagste punt van de Vallei van de Hierdense (Staverdense) Beek. De ontstaanswijze van deze vallei is onvoldoende bekend. Men vermoedt dat de vallei aan het eind van de voorlaatste ijstijd gevuld is geweest met een smeltwatermeer. Vanaf de omliggende stuwwallen werden hierin sedimenten afgezet. Uniek is de grote verscheidenheid aan gesteenten die in de vallei wordt aangetroffen. Men vindt er stenen afkomstig uit Scandinavie, het Oostzeegebied, Noord-Duitsland en uit het gehele Rijn/Maasgebied.
Ondanks dat grote delen van de Staverdense Beek in het verleden zijn gewijzigd ten behoeve van watermolens en andere watervoorzieningen, is het beekdaltraject nog vrij gaaf. Lokaal komt veen voor.
Archeologie
Overgangen tussen beekdalen en hogere gronden waren de eerste verstigingsplaatsen van mensen. Op Staverden is hun vroegere aanwezigheid nog zichtbaar in vier grafheuvels die aan de westrand van het beekdal liggen. Er tegenover, aan de oostrand liggen nog twee heuvels. De grafheuvels aan beide zijden van de beek geven aan dat hier 4000 jaar geleden, toen de grafheuvels opgeworpen werden, waarschijnlijk een doorwaadbare plaats in de beek moet zijn geweest.
Historische geografie
Het beekdal is steeds een belangrijke vestigingsplaats geweest. In de loop der eeuwen werden het dal en de omgeving aangepast aan de behoeften van de bewoners.
De beek werd opgeleid naar de randen van het beekdal, voor het aandrijven van watermolens en waarschijnlijk ook voor het bevloeien van de graslanden in het beekdal. In het beekdal werd leem gewonnen om stenen van te bakken.
Op de flanken van het beekdal werden de boerderijen gebouwd met daarbij akkers en grote percelen hakhout. Op de grens met de heide waren bossen met naald- en loofhout. Om het zure water van de heide uit de velden te houden en om wildvraat tegen te gaan werden wallen langs het beekdal aangelegd.
De ontginning van het beekdal concentreerde zich aanvankelijk rond Leuvenum en Staverden. In de 19de eeuw ontwikkelde Staverden zich in snel tempo, vooral na de aankoop van het landgoed door Jan Rudolf Kemper in 1835. Woeste gronden werden aan het bezit toegevoegd en ontgonnen, wegen werden aangelegd of verbeterd. Geleidelijk werden de gronden stroomopwaarts ontgonnen tot landbouwgebied.
De heide en de veengebieden zijn lang onontgonnen gebleven. Toen de heide zijn functie voor de landbouw begon te verliezen is ze bebost of omgezet in landbouwgrond.
Onder H.Th. s' Jacob is in 1911 Het Veen ontgonnen tot landbouwgrond. Dit was de laatste grote ontginning op Staverden. Hier werd in 1914 de Frederik Bernhardhoeve gesticht en later de Stavohoeve: modelboerderijen voor de vernieuwing van de landbouw.
In feite was het doel van vader en zoon s' Jacob om Staverden als modern land- en bosbouwbedrijf te exploiteren, een voortzetting van hoe het landgoed al eeuwenlang had gefunctioneerd. Een landgoed was van oudsher een zelfvoorzienende economische (en sociale) eenheid, waar landbouw en bosbouw voor het grootste deel van de inkomsten zorgden.
Staverden is in die zin een compleet landgoed: een kasteel met omliggend park, landbouwbedrijven, bos voor de houtproductie, een molen, een kapelletje en een begraafplaats. En in vroeger tijd leemkuilen en een steenoven.
Cultuurhistorie algemeen
Staverden of Staveren behoorde tot de oudste bezittingen van de Gelderse graven, die er waarschijnlijk al in de 12de eeuw een hof hadden. In 1291 verkreeg graaf Reinald I van de keizer toestemming Staverden tot een stad te maken, een plan dat nooit werkelijkheid is geworden.
Ongeveer in die tijd speelde de legende van Eleonora die na een liefdesdrama op Staverden wegkwijnde en stierf. Een latere romanticus plaatste in het bos achter het kasteel waar zij begraven zou zijn een steen met het opschrift 'Leonora 1353'. Naar men zegt waart haar geest nog altijd rond als 'Zwarte Vrouw van Staverden'.
Staverden bleef een hof, dat sinds 1400 door de Gelderse hertogen in leen werd uitgegeven onder de verplichting witte pauwen te houden en pauwenveren te leveren voor de helm van de hertog.
De oude traditie van de witte pauwen op Staverden werd door vader en zoon s' Jacob in ere hersteld. De pauwenveren worden nu jaarlijks aangeboden aan de commissaris van de koningin in Gelderland.
Verwervings geschiedenis
Ir. F.B. s' Jacob heeft Staverden voornamelijk gekocht voor zijn zoon H.Th. ´s Jacob. Deze heeft zich zijn hele leven ingezet voor Staverden. Hij breidde het landgoed aan de noordzijde uit en veel van de latere bouwwerken kwamen onder zijn regie tot stand. H.Th. s' Jacob behoorde in 1929 tot de oprichters van Het Geldersch Landschap en hij was tot zijn overlijden bestuurslid. Zijn erfgenamen maakten het in 1963 mogelijk Staverden aan te kopen.
Kastelen en landhuizen
Het huidige landhuis Staverden is ongeveer een eeuw oud, maar wordt door zijn veel langere geschiedenis steevast ´kasteel´ genoemd. Reinoud II van Gelre zou tussen 1326 en 1343 het stenen gebouw dat zijn vader liet bouwen, hebben verbouwd tot een kasteel. Van 1651 tot 1835 was Staverden eigendom van de Van Haersolte's. Zij herbouwden Staverden in de 17de eeuw. Het vierkante huis met twee hoekpaviljoens is bekend van 18de-eeuwse tekeningen.
In 1835 werd Jan Rudolf Kemper door koop eigenaar. Met gebruikmaking van delen van het 17de-eeuwse huis liet hij een nieuw landhuis bouwen, waarbij hij de hoekpaviljoens verlaagde. Na een periode van verwaarlozing kocht ir. F.B. s' Jacob, burgemeester van Rotterdam, het landgoed in 1905. Hij liet het landhuis door architect L.A. van Essen en J. van Zeggeren uit Harderwijk vergroten tot het huidige 'kasteel'. In het ontwerp zijn Jugendstil-elementen te herkennen. Tegelijkertijd werd teruggegrepen op de Hollandse 17de-eeuwse bouwkunst, ondermeer bij de toepassing van trapgevels. Bij deze verbouwing zijn de hoekpaviljoens tot torens verhoogd.
Het landhuis heeft nog de indeling uit 1907. Ook interieuronderdelen als schouwen, betimmeringen, trappenhuis, glas-in-lood en wand- en vloertegels zijn nog uit die tijd.
Aan het voorplein staat een groot dienstgebouw uit de 19de eeuw. Tijdens de verbouwing van het kasteel is dit koetshuis, waarin ook stallen en een koetsierswoning zijn ondergebracht, niet aangepast. Het koetshuis is op de funderingen van een 17de-eeuwse voorloper gebouwd. Het stalgedeelte is compleet bewaard gebleven met paardenboxen, ruiven, naambordjes, betegeling en klinkerbestrating. Ook de tuinmanswoning en oranjerie dateren vermoedelijk uit de 19de eeuw. Tussen deze twee bouwwerken staat de bakstenen tuinmuur ten zuiden waarvan zich de moestuin bevond.
Tuin/park
Onder de Van Haersolte´s kwam een grootschalig, formeel lanenstelsel tot stand, waar de huidige statige eiken- en beukenlanen van de Allee, de Staverdenseweg en het noordelijk deel van de Uddelermeerweg een restant zijn. De architect Johann Georg Michaël bracht voor 1792 veranderingen in landschapstijl aan in de directe omgeving van het huis. Hij handhaafde veelal oude lanen, om daartussen slingerende paden, opgebouwd uit S-bochten, aan te leggen. Ook het eiland (ofwel ´Leonorapol´) in de Staverdense beek, met een grafmonument voor gravin Leonora, werd in deze periode aangelegd.
Het ontwerp van P.H. Wattez werd in 1907 werd uitgevoerd in een gemengde stijl. Daarbij werd ten zuiden van het kasteel en de bijgebouwen een geometrische tuin aangelegd, opgebouwd uit rechthoeken. Elke rechthoek was ingevuld met geometrische patronen. In een van de rechthoeken was een doolhof aangelegd, waarvoor een vroeg 18de-eeuws ontwerp van de Franse tuinarchiect A.J. Dezallier d´Argenville als voorbeeld diende. In zijn ontwerp heeft Wattez aan de randen de landschappelijke aanleg opgenomen. In hoofdlijnen is de aanleg van Wattez nog steeds herkenbaar.
Bouwwerken
Staverden mag met het grote aantal bouwwerken op het landgoed een ´kasteel-nederzetting´ worden genoemd. De samenhangende bebouwing en inrichting van het landgoed kreeg in de 19de en vroeg 20ste eeuw op unieke wijze vorm. De meeste van de tot het landgoed horende bouwwerken, waaronder achttien boerderijen, dateren uit deze tijd. De witte bepleistering van veel van de boerderijen versterkt de relatie met het kasteel. Enkele boerderijen hebben nog steeds een complete erfinrichting met schuren, bakhuisjes, putten, pompen en zelfs een kleine schaapskooi.
J.R. Kemper liet in de omgeving van het kasteel een aantal boerderijen bouwen. Als eerste werd in 1836 boerderij Akkerzicht als dubbele boerderij gebouwd. Boerderij Berkenhof volgde vanaf 1850. Tezelfdertijd werden de boerderijen Dennehoeve en Klein Dennehoeve gerealiseerd, beide met een T-vormige plattegrond, wat een ongebruikelijke vorm is voor deze streek. In 1857 werd boerderij Kijk Over gebouwd, een hallenhuisboerderij met bijzondere details. Drie jaar eerder was de koetsierswoning/boerderij Molenzicht gebouwd.
Het zuidelijk deel van het landgoed werd tegelijkertijd ontgonnen. Daar werd vanaf 1848 de voorname boerderij Meerhoeve gebouwd met een ongebruikelijk verhoogd middengedeelte van het woonhuis. Het grote bakhuis, de gietijzeren hekposten en de oude erfbeplanting maken de Meerhoeve tot een bijzonder geheel. Bij de markant gelegen boerderij Berkenhof van omstreeks 1850 is de oorspronkelijke erfbebouwing en -beplanting nog vrijwel geheel intact. Boerderij De Leemkuil uit 1854 is veel traditioneler van opzet. Net als boerderij Kijk Over is het een gaaf voorbeeld van een 19de-eeuwse boerderij van het hallenhuistype.
Bij de zuidgrens van Staverden werd in 1859 het tolhuis Veldkamp gebouwd, nagenoeg identiek aan het bij het kasteel gelegen tolhuis. Tolheffing werd op Staverden pas in 1938 afgeschaft.
Nadat in 1866 een heideterrein was aangekocht, werd omstreeks 1867 boerderij Kerkzicht gebouwd (en in 1882 na een brand herbouwd). De naam verwijst naar het uitzicht op het houten kerkje dat Kemper een jaar eerder had laten bouwen, en dat nog geen tien jaar later werd vervangen door het huidige bakstenen kerkje (geen eigendom). De achthoekige, bakstenen duiventil aan de Garderenseweg dateert van 1877. Dergelijke duifhuizen hadden in de 19de eeuw vooral een decoratieve functie. In 1871 kocht Kemper de uit 1850 daterende boerderij De Berkenhof aan.
Tijdens de periode van verval tussen 1878 en 1905 werden vier boerderijen afgebroken. Maar tegelijkertijd kreeg boerderij Den Hagen zijn huidige vorm die verwant is aan boerderij Kerkzicht.
Na de komst van F.B. s´ Jacob werd op het landgoed opnieuw bouwactiviteit ontplooid. De arbeiderswoningen (Allee 31-37) werden in 1909-1914 opgetrokken ter huisvesting van landarbeiders die vanaf 1911 aan de ontginning van het noordelijke deel van het landgoed werkten.
De in 1913 afgebrande boerderij De Haverkamp werd herbouwd met een dubbel voorhuis in H-vorm. De deel was hier voor gezamenlijk gebruik. De Frederik Bernhardhoeve, oorspronkelijk in carre´-vorm aangelegd, was een bedrijf van de familie s´ Jacob zelf, waarvoor het benodigde personeel werd aangetrokken Op deze modelboerderij uit 1914 werden ondermeer paarden gefokt. De stallen werden volgens de nieuwste inzichten gebouwd en voor de machinale voedselbereiding was een aparte motorkamer toegevoegd.
Het jachthuis (Uddelermeerweg 26) werd in 1915 gebouwd op het perceel van ´Villa Gentiana´, het woonhuis van F.B. s' Jacob voordat hij het kasteel betrok. De oude jachtkamer is nog geheel intact, inclusief een vijftal wandschilderingen. De hondenkennel stond oorspronkelijk bij het kasteel.
In 1915 werd voor H.Th. s' Jacob het grote houten landhuis De Witte Pauwen in Noorse stijl gebouwd door de Bussumse architecten Van der Groot en Kruisweg. De nokkam heeft de vorm van twee pauwen waarvan de staarten elkaar in het midden van het dak raken. Pauwmotieven komen ook terug in de glas-in-loodramen. Tot de bijgebouwtjes in dezelfde stijl hoort het ´betaalhuisje´, dat in gebruik was om de arbeiders uit te betalen.
De traditioneel vormgegeven Leonorahoeve valt op omdat deze in 1917-1918 grotendeels in het lichte kalkzandsteen, een nieuw materiaal, is opgetrokken.
Het ontspanningszaaltje (Allee 11) diende in 1914 voor de opvang van Belgische vluchtelingen. Deze houten barak werd in 1921 overgebracht vanuit Harderwijk en voorzien van het podium, de rankenbeschilderingen en het behang met pauwen en bladmotieven.
Boerderij De Molen vervangt vanaf 1925 de laatste korenwatermolen die tot 1923 aan de molenbeek stond. Sinds 1989 heeft De Molen een nieuw waterrad, waardoor hij weer functioneert zoals de vele bovenslagwatermolens die eeuwenlang langs de Leuvenumse- en Staverdense beek stonden.
Dat moderniteit op het landgoed niet werd geschuwd blijkt uit de thans in erfpacht uitgegeven woning Het Blokhuis, in 1930 in de stijl van de nieuwe zakelijkheid werd gebouwd door de bekende Rotterdamse architecten Brinkman en Van der Vlugt. De vrouw van H.Th. s' Jacob was een zuster van de directeur van de Van Nellefabriek, wat dit bouwwerk op Staverden verklaart.
Flora
Staverden is een botanisch paradijs, er komen meer dan 20 plantensoorten voor die op de Rode Lijst van zeldzame en bedreigde planten voorkomen.
Het moeras in het zuidelijk beekdal vinden we verschillende goed ontwikkelde elzenbroekbossen, gagelstruwelen, vochtige heideterreintjes, open hoogveenbegroeiingen en beekdalgraslanden. Het zeldzame verspreidbladig goudveil komt in de broekbossen voor.
De kleine geďsoleerd liggende hoogveentjes zijn het biotoop van ronde en kleine zonnedauw, veenbes, wollegras en diverse veenmossoorten. We treffen hier ook gagelstruwelen aan en een van de rijkere groeiplaatsen van beenbreek in ons land.
De beekdalgraslanden herbergen diverse bijzondere soorten, zoals kamgras, echte koekoeksbloem, grote ratelaar, dotterbloem, kale jonker, moerasrolklaver en brunel. In de natste gedeelten heeft het hier toegepaste hooibeheer geleid tot nog waardevollere vegetaties met wateraardbei, zeegroene muur, waternavel, snavelzegge, zompzegge, waterdrieblad, holpijp, zomprus, egelboterbloem en schildereprijs. In het water groeien brede waterpest en teer vederkruid.
In het natuurontwikkelingsterrein het Verbrande bos zijn tientallen bijzondere soorten teruggekomen, zoals beenbreek, ronde en kleine zonnedauw, veenbies, vlottende bies, bruine en witte snavelbies, stijve moerasweegbree, dubbelloof, moerasbasterdwederik, klokjesgentiaan, moeraswolfsklauw, kleinste egelskop, klein blaasjeskruid, liggende vleugeltjesbloem en gevlekte orchis.
De opgaande eikenbossen in de omgeving van het kasteel vertonen een rijke kruidenflora met bosanemoon, bosklaverzuring, bleeksporig bosviooltje, dalkruid, klimop, hulst en langs de greppels dubbelloof.
Op de Stakenberg, een voormalig stuifzandterrein, groeien nog grillige jeneverbesstruiken en een rijke begroeiing van mossen en korstmossen.
Staverden is ook rijk aan paddestoelen. Enkele bijzondere gevonden soorten zijn blauwzwarte stekelzwam, kleine trompetzwam, narcisamaniet, kostgangersboleet, trechtercantharel, roodschubbige gordijnzwam, groene glibberzwam, appelrussula en schaapje.
Fauna
Op de hei van de Stakenberg komt de gladde slang voor. Andere op het landgoed levende reptielen zijn de ringslang, adder, hazelworm, zandhagedis en levendbarende hagedis. Van de amfibieën verdienen vooral de kamsalamander en de heikikker vermelding.
In de beek leven onder andere snoek, paling, beekprik, bermpje, rivierdonderpad en een zeldzame waterwants; Sigara hellensi.
De zoogdieren zijn goed vertegenwoordigd op Staverden; er leven zo'n zestig edelherten. Bijzonder is dat zij hier, in tegenstelling tot elders op de Veluwe, nog min of meer hun natuurlijke biotoop aantreffen: vruchtbare beekdalgraslanden in combinatie met gevarieerd loofbos. Wilde zwijnen laten zich zo nu en dan zien, op de Stakenberg zijn ze vaste bewoners.
In de oude loofbossen en lanen in het centrum van het landgoed is de boommarter regelmatig waargenomen. Ook voor de das vormt Staverden een belangrijk leefgebied. Er zijn verscheidene bewoonde burchten.
In de ijskelder achter het kasteel overwinteren vleermuizen. gesignaleerde soorten zijn: dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en de zeldzame baardvleermuis en franjestaart.
Door de grote landschappelijke afwisseling is Staverden rijk aan vogels. Broedvogels zijn onder andere: zwarte, groene, grote bonte en kleine bonte specht, boomklever, appelvink, grauwe vliegenvanger, houtsnip, havik, buizerd, torenvalk en boomvalk, nachtzwaluw (op de heide) en kerkuil (bij boerderijen).
Langs de beek leven ijsvogel en grote gele kwikstaart. Verder broedt de raaf op Staverden, een soort die bijna uitgestorven was, maar weer opnieuw is uitgezet en sinds die tijd bezig is aan een come-back.
Vooral het Verbrande Bos en de beekdalgraslanden zijn belangrijk voor insecten. Belangrijke waargenomen soorten zijn heideblauwtje, heidetrechterspin, moerassprinkhaan, nachtpauwoog, weidebeekjuffer en gevlekte witsnuitlibel. In 1999 werd de beekoeverlibel aangetroffen, de tweede waarneming op de Veluwe ooit. Ander libellen die op Staverden voorkomen zijn venwitsnuitlibel en glassnijder.
Visie/ toekomstbeeld
Enerzijds is Staverden een compleet en gaaf behouden gebleven landgoed, anderzijds heeft het zeer hoge natuurwaarden. Bij het beheer wordt ernaar gestreefd beide te maximaliseren. Dat betekent dat het landgoed in zijn totale samenhang (kasteel, park, molen, boerderijen, landbouwgronden en bossen) in stand wordt gehouden en dat daarbinnen de natuurwaarden zoveel mogelijk worden ontwikkeld.
Voor de landbouw bijvoorbeeld wordt gestreefd naar ecologische landbouw en in de bossen wordt de diversiteit en soortenrijkdom verhoogd door gei¨ntegreerd bosbeheer.