Korte kenschets
Oud boerenlandgoed met boerderij, graslanden en akkers, vochtige heide met vennetjes en bossen. Verder natuurontwikkelingsgronden langs de Esvelderbeek.
Geo(morfo)logie
Uit een onderzoek in 2003 naar de grondwaterhuishouding rond Klein Bylaer bleek dat zich enkele grote kwelkraters onder het gebied bevinden. Dit zijn de plekken waar uitwisseling met het grondwater plaatsvindt.
In dit type landschap betekent hoog niet altijd droog, door omkering van het relief in de laatste ijstijd. In die tijd stoven grote hoeveelheden zand heen en weer. De lagere, natte plekken waar kwel heerste stoven het eerst onder omdat daar het zand werd vastgelegd in vocht of vegetatie. Door de doorlatendheid van het zand bleef het vochtig en werd meer zand vastgehouden. De lage natte plekken werden daardoor steeds hoger ten opzichte van de omgeving.
Historische geografie
Waarschijnlijk werd het gebied van af het eind van de middeleeuwen ontgonnen. Er waren toen nog geen beken van betekenis in de Gelderse Vallei en de Vallei bestond uit natte bossen op de dekzandruggen en -koppen en uit veen in de laagtes daartussen.
Omdat je op een kwelkop door wateroverlast niet kunt wonen en veen slechte en vorstgevoelige weidegrond is, legde men een ontwateringsstelsel aan dat twee vliegen in een klap sloeg. Men tapte het, relatief warmere, grondwater uit de kwelkoppen af en leide dat over het veen. De koppen werden hierdoor droger en konden als bouwland gebruikt worden en het grasland werd gevrijwaard van vorstschade, waardoor de oogstzekerheid toenam. Bovendien was het kwelwater kalkrijk, waardoor de groeicondities in het grasland verbeterden.
In de winter was makkelijk te zien waar het kwelwater afgetapt kon worden: deze plekken vroren niet dicht.
Bodem en water bepaalden op deze manier waar boerderijen, akkers en graslanden kwamen. Dat het systeem naar behoefte functioneerde, blijkt wel uit het feit dat het eeuwen ongewijzigd in stand bleef. Als de eerste gedetailleerde kaart van het gebied van rond 1800 vergeleken word met die uit de 20ste eeuw dan is te zien dat er vrijwel niets veranderd is aan de ligging van de boerderijen, perceelsvormen en slootpatronen. Pas in de 20ste eeuw begon het landbouwsysteem in onbruik te raken, onder andere door het gebruik van kunstmest en de kanalisatie van beken.
Landschap
Wat er nu nog te zien is is een landschap waarin de tijd lijkt te hebben stilgestaan. Alle elementen van een historisch boerenbedrijf zijn nog aanwezig: boerderij, akkers, graslanden, heide, bossen, eendenput en het waterbeheersingsstelsel.
Verwervings geschiedenis
Klein Bylaer werd in 1981 verworven van de erven van Hoogstraten-De Geer.
Bouwwerken
Aan de met eiken omzoomde Kallenbroekerweg ligt boerderij Klein Bylaer. De eenvoudige bouwstijl harmonieert met het met eiken beplante erf en het omringende coulissenlandschap. De hallenhuisboerderij uit omstreeks 1860 is herkenbaar aan de in zandlopermotief geschilderde luiken en de windveren die in golvende lijn zijn uitgezaagd. Het rietgedekte schilddak van de boerderij is naar de linkerzijde uitgebouwd. In de boerderij is een betegelde schouwpartij met schouwlijst bewaard gebleven. Tussen de boerderij en de schuur die in het verlengde ervan staat, is een overkapte verbinding aangebracht.
Op het erf staat een ruim bakhuis. De erfinrichitng bestaat verder uit een berging.
Flora
Het gebied is uitermate gevarieerd. De bossen bestaan uit beekbegeleidend loofbos, hakhout, eikenspaartelgen en vliegdennenbos op voormalige heide en enig cultuurbos van naaldhoutsoorten. In een van de spaartelgencomplexen komen oude hoge hakhoutstoven voor.
Daarnaast zijn er stukken heide die varieren van nat tot droog, oevervegetaties langs de poelen en er zijn enkele weilanden en akkers.
De overgangen tussen laag en hoog, arm en rijk en nat en droog zijn goed in de vegetatie terug te vinden. Moeraswolfsklauw en bruine snavelbies zijn op de geplagde natte heide te vinden. Op de vochtige heide in het noordwesten en noorden van het gebied vinden we vooral dopheide, kleine en ronde zonnedauw, veenpluis en veenbies. Langs een oud heidepaadje ziet het in augustus blauw van de klokjesgentianen. De drogere gedeelten van de heide vormen een groeiplaats voor klein warkruid of duivelsnaaigaren. Deze parasiet vinden we als een kluwen van draadvormige, roodachtige stengeltjes in heidestruikjes.
In de voedselrijkere delen van de bossen sieren bosanemoontjes en speenkruid de kruidlaag.
In het gebied is het voorkomen van het waterlepeltje het meest bijzonder. Dit water- en moerasplantje wordt in Nederland als ernstig bedreigd beschouwd en komt slechts op een paar groeiplaatsen voor. Op de drogere plaatsen langs houtwallen en bosranden groeit echte guldenroede, die de afgelopen eeuw sterk is achteruitgegaan in Nederland.
Fauna
's Winters zit in een roestboom op Klein Bylaer vaak een groep ransuilen. In de Rietput broedt geregeld de dodaars. Deze futensoort is door zijn kleine formaat en schuwheid niet eenvoudig te vinden. In de Rietput en rond de vennen komt bovendien de heikikker voor, evenals talrijke libellen. De klokjesgentiaan is de waardplant van het gentiaanblauwtje. Dit door de achteruitgang van klokjesgentiaan kwetsbare vlindertje leeft in een kleine populatie in het gebied. Op de kamperfoelie in de bosranden legt de kleine ijsvogelvlinder haar eitjes. In het heldere water van de poelen leeft de kleine watersalamander, de ijsvogel vist in het water van de beek. In de steile, kale oevers van de beek maakt hij zijn nestholte.
Visie/ toekomstbeeld
Omdat de cultuurhistorische en landschappelijke waarden bijzonder zijn, zijn deze uitgangspunt bij het beheer van het gebied. Daarbinnen zijn de potenties voor natuur ook hoog, vooral op de natte heide, in de bossen en langs de beken.
De uitdaging is om deze waarden zo optimaal mogelijk en op een samenhangende wijze te ontwikkelen.