Bijzonderheden
Veel soorten broedvogels en paddestoelen. Begrazing met Schotse hooglanders. De Tsjongerdellen vormen een belangrijke groeiplaats voor de Noordse zegge.

Ligging
Gemeente Heerenveen, bij Nieuwehorne. Ketliker Skar tussen Schoterlandseweg en Tjongervallei. Ketlikerheide ten noorden van Ketliker Skar. Tsjongerdellen aan weerszijden van de Tjonger.
Toegankelijkheid
Vrij toegankelijk langs wegen en paden. Honden niet toegestaan met het oog op de Schotse hooglanders. Tsjongerdellen vanaf de Tjongervallei goed te overzien.
Informatie
Informatiepanelen bij ingang Schoterlandseweg en ingang Tjongervallei, waar ook een picknickplaats is. Hier is ook de toegang naar de uitkijktoren in de Tsjongerdellen.
Geschiedenis
Een groot gedeelte van het Ketliker Skar bestaat uit op heidegrond aangelegd cultuurbos, met lange rechte lanen. Het werd in het begin van de vorige eeuw aangelegd door het uit Drenthe afkomstige geslacht Bieruma Oosting. Sommige gedeelten van de heide werden tot grasland ontgonnen en er liggen ook binnen het bos stukken weiland. Een gedeelte van de heide bleef gespaard. Het bos werd vooral aangelegd voor de houtproductie en de jacht. Tot het bezit behoort ook het jachthuis (Slotsje), dat herinnert aan de vroegere bestemming van het gebied. In 1969 kocht It Fryske Gea het complex van de familie Bieruma Oosting.
De Tsjongerdellen vormen een restant van het oude beekdal van de meanderende Tjonger, die nu door kanalisatie rechtgetrokken is.

Wandelpad Ketliker Skar. Bron: It Fryske Gea
Ketlikerheide
Dit heideterrein is vrij reliëfrijk. Er zijn stukken hooggelegen droge heide, maar ook vochtige heiden langs vennetjes, bosjes en uitgeveende gaten. De heide verjongt zich hier na het afplaggen weer, maar ook de Berk slaat weer op. Naast de Struikheide en Gewone dopheide liggen hier mooie tapijten Kraaiheide. Samen met de Struikheide vormen Blauwe bosbes en Vossebes een zeldzaam heidetype, dat niet tegen begrazing kan en alleen voorkomt in gebieden met veel neerslag. In de vochtige heide komen Trekrus en Veenbies veel voor, en langs de paden is de Klokjesgentiaan te zien. In de veenputten en vennetjes komen hoogveenachtige begroeiingen voor en groeien pollen Eenarig wollegras in zuur en voedselarm water. Elders groeit veenmos, waartussen Kleine en Ronde zonnedauw, Witte snavelbies en Kleine veenbes voorkomen. In het halfopen landschap zingt de Geelgors het ta ta ta taa uit de vijfde symfonie van Beethoven.
Tot het object Ketlikerheide behoort een aantal bospercelen, waaronder het Trinksbosje, dat bereikbaar is vanaf de W.A. Nijenhuisweg. Hoewel het een aangelegd en op het eerste gezicht vrij eentonig bos is, bevat het toch een aantal verrassingen die vanaf de wandelpaden duidelijk waar te nemen zijn. Zo vallen in de voormalige eikenhakhoutbosjes de rijkelijk groeiende bosplanten op, waarvan de Blauwe bosbes plaatselijk geheel overheerst. Er zijn stukken waar zelfs Dalkruid nagenoeg bodemdekkend is en hier en daar staat de Gewone salomonszegel. In de bosranden komt Hengel voor, een steeds zeldzamer wordende zoomplant. Oorspronkelijk werd het bos op heide aangelegd, wat enkele exemplaren van Struikheide nog laten zien. Andere percelen met eiken zijn op een meer voedselrijke bodem aangelegd. Weelderige braamvegetaties en overvloedig groeiende Brede stekelvaren zijn karakteristiek voor zulke bosjes. Ook de Adelaarsvaren is aanwezig. In enkele met sparren beplante percelen kwamen vroeger veel grote mierenhopen voor van de Rode bosmier. Bij een inventarisatie werden in het verleden in het gehele gebied 130 bewoonde nesten van deze mierensoort geteld. Helaas is deze mier hier sterk achteruitgegaan, waardoor ook de mierenetende Groene specht uit het gebied is verdwenen.
Ketliker Skar
Het Ketliker Skar vormt een prachtig wandelgebied, waarin drie gemarkeerde routes liggen. Sinds 1987 wordt een gedeelte van het terrein begraasd door een kudde Schotse hooglanders. Sindsdien is de publieke belangstelling vooral in de weekends erg groot. Via de zuidelijke toegang komt men al na korte afstand in het ingerasterde deel waar deze bijzondere runderen zich dikwijls laten zien.
Ook zonder de aanwezigheid van de hooglanders bieden de wandelroutes genoeg variatie; het terrein is zeer afwisselend. De boomgroei verschilt van deel tot deel. Open plekken in het bos en weilanden - waaronder een droppingterrein uit de Tweede Wereldoorlog dat met een herinneringsbordje is gemarkeerd dragen bij aan de variatie in het gebied. Ook de plantengroei is er zeer gevarieerd.
Behalve het opengestelde wandelgebied omvat het Ketliker Skar nog een fraai gelegen heide, die vanaf de lange laan aan de westzijde van het bos goed kan worden overzien. Nadat deze heide grotendeels met Pijpenstrootje was dichtgegroeid, werd hij in de tachtiger jaren geplagd. Op de toen geplagde grond komen nu mooie velden Gewone dopheide voor, maar ook Veenbies en Ronde zonnedauw voelen zich in deze vochtige heide thuis.
Rond de vennen vormt Wilde gagel een struikgewas waarover vooral in de late winter en het vroege voorjaar een prachtige gouden gloed komt te liggen. Waterdrieblad groeit in een ven met langs de oevers pollen Zompzegge. Het Heideblauwtje vliegt hier op de heide vooral de westkant van het bos. De Boomvalk broedt in de bosrand langs de heide.
In een gegraven poel floreert het Moerashertshooi. Deze geelbloeiende venplant wijst op zacht en fosfaatarm water. In Friesland komt deze soort nog maar op twee plekken voor. Ook Ondergedoken moerasscherm, dat dezelfde eisen aan het water stelt, is hier in een sloot aangetroffen. De vroegere cultuurgraslanden zijn nog niet zo sterk verschraald, maar de Oranjetipjerupsen hebben er stellig van de ruime aanwezigheid hun waardplanten, Pinksterbloem en Look-zonder-look, geprofiteerd.
In het bos zijn, behalve inlandse eiken, ook boomsoorten aangeplant die hier eigenlijk niet thuishoren: de Rode paardekastanje, Japanse larix, Douglasspar en Pontische rododendron. Overigens staan er ook bijzonder fraaie hulstbomen. In het oude vochtige loofbos komen bijzondere bosplanten voor, zoals Dalkruid, Lelietje-van-dalen en Gewone salomonszegel. Kenmerkende broedvogels zijn daar Houtsnip, Wielewaal en Fluiter. De Grote en de Kleine bonte specht maken hun holen in verzwakte bomen. In holten van de oude bomen broeden verder Holenduif, Gekraagde roodstaart, Grauwe vliegenvanger en Bonte vliegenvanger. Ook de percelen met naaldbos zorgen voor variatie. Zo zijn de hier broedende Goudhaan, Kuifmees en Zwarte mees op naaldhout aangewezen.

Dopheide. Bron: It Fryske Gea
Paddestoelen
In een gevarieerd en natuurlijk bos zijn verschillende groeiplekken voor paddestoelen te vinden. Levende en dode bomen, bladeren, vruchten zoals sparrenkegels, beukendoppen, veren en mest vormen zulke plekken. De ene soort paddestoel ruimt het dode materiaal op, de andere leeft, in beider voordeel, samen met levende bomen. In het Ketliker Skar zijn al deze soorten te vinden, van zeer giftig tot goed eetbaar. De Zwarte kluifzwam in de strooisellaag, de verschillende soorten russulas en melkzwammen bij - onder andere - beuken, Echte judasoor op een oude Vlier, het kleverige Koraalzwammetje op boomstronken, de Witte mestinktzwam op een koeienvlaai en de Honingzwam op levend hout. Ook komt het Pijpenstrootjemoederkoren voor op Pijpenstrootje. Het is een giftige soort die in de Middeleeuwen soms met het graan tot brood werd verwerkt en menigeen het leven heeft gekost. Hier en daar vormt de Nevelzwam fraaie heksenkringen en Witte oorzwammetjes versieren de dode takjes op de grond.
Tsjongerdellen
Voor een groot deel bestaat dit reservaat uit lage graslanden met veel sloten en oude meanders. De graslanden worden s winters vaak door boezemwater overstroomd. Overvloedig bloeiende Dotterbloem en Waterkruiskruid zijn voor de overstroomde hooilanden kenmerkend. De vochtige hooilanden zijn ook voor de weidevogels heel geschikt. De Grutto houdt van het korte nabeweide grasland, net als Slobeend, Watersnip en Wulp. Zelfs de Kwartelkoning, een zeldzame geheimzinnige vogel van structuurrijk grasland, is in de Tjongerdellen aangetroffen. Grote zeggen vormen hier op drassige plaatsen een hoge en dichte begroeiing. Scherpe zegge is er het meest aanwezig, maar ook de Blaaszegge komt wel voor. Rietzanger en Kleine karekiet profiteren van de toegenomen rietgroei.
In enkele petgaten en aan slootkanten zijn in het verleden plaatselijk grauwe wilgen en enkele elzen opgeslagen. Op drassig land en aan slootkanten waar ijzerhoudende kwel naar boven komt, groeien Holpijp, Snavelzegge, Waterdrieblad en de zeldzame Noordse zegge bij elkaar. Op een enkele plek op het drassige land komt ook de zeldzame Draadzegge voor. In de petgaten en brede sloten hebben zich op veel plaatsen drijftillen gevormd: op water drijvende, samengegroeide vegetaties. Hoge cyperzegge en Waterscheerling zijn voor deze vegetatie karakteristiek. De nog open sloten tonen een mooie begroeiing met Gele plomp, Witte waterlelie en veel Groot blaasjeskruid. Van de voor ijzerhoudende kwel kenmerkende waterplanten komt Waterviolier her en der in de sloten voor. Krakeend, Slobeend en Kuifeend gondelen in de slootjes die rijk zijn aan waterplanten.
Het gehele gebied van de Tsjongerdellen heeft een rijke vogelbevolking. In de winter verblijven er in het gebied veel trekkers en pleisteraars, waaronder Kolgans, Rietgans, Grauwe gans en vaak flinke groepen wilde zwanen. Ook eendachtigen, met name Wilde eend en Smient, houden zich geruime tijd in het gebied op. Vooral in voorjaar en winter zijn er vanaf de weg door de Tjongervallei en langs het fraaie fietspad dat deels langs de zuidelijke terreinen loopt, goede waarnemingen te doen.

Wulp. Bron: It Fryske Gea
West
Het West bestaat uit vrij lage graslanden met brede sloten. Enkele petgaten zijn grotendeels met grauwe wilgen dichtgegroeid. In de soortenrijke dotterbloemhooilandjes valt het Waterkruiskruid op. De vochtige graslanden zijn vooral belangrijk voor broedende watersnippen. In een verruigd stukje tussen de petgaten houdt de Blaaszegge zich verborgen. In de brede sloten hebben zich mooie drijftillen ontwikkeld, waarop Wateraardbei, Draadzegge, Zompzegge en Ronde zegge voorkomen. Elders wijzen Waterviolier, Waterdrieblad, Grote boterbloem en Noordse zegge op een goede kwelwaterkwaliteit.
Via de moerasgebieden nabij Sluis I en de bosjes langs de Meulereed wordt aansluiting verkregen met het object Meulebos bij Oldeberkoop.
Marijkemuoidobbe
Langs het dichtbegroeide toegangsweggetje naar de Marijkemuoidobbe staan enkele fraaie exemplaren van de Hulst. De dobbe bestaat uit twee langwerpige uitgeveende poelen. De ene poel heeft een dichte vegetatie van Gele plomp met langs de oever Liesgras en Grote lisdodde, de andere bevat nauwelijks waterplanten, maar heeft een fraaie oeverbegroeiing van Hoge cyperzegge, Waterscheerling, Gele lis en Bitterzoet. De rest van het terrein is sterk verruigd met Braam en Framboos, veel brandnetels, Hennegras, Engelwortel en veel Akkerdistel. Ook de reus uit Azië, de Reuzenberenklauw, heeft hier vaste voet gekregen. Tussen de ruige vegetatie handhaven zich nog enkele planten die hier vroeger stellig in grotere aantallen hebben gestaan, zoals Moerasandoorn, Moerasrolklaver en Moerasbeemdgras. Wilgen en enkele prachtig uitgegroeide elzen zorgen voor afwisseling. Opvallend is een plek waar veel Hop groeit. Het gebied is waarschijnlijk het restant van een pingo-ruïne en ook uit landschappelijk oogpunt waardevol.

Uitkijktoren. Bron: It Fryske Gea
Beheer
Het beheer is erop gericht tot één landschappelijk geheel te komen, waarbij geprobeerd wordt het oorspronkelijke reliëf te herstellen. It Fryske Gea probeert daarbij het open karakter van het gebied te handhaven: van de heide is bosopslag verwijderd en er is geplagd en gemaaid om de heide weer kans op herstel en verjonging te geven. De hooilanden ten zuiden van de Tjonger worden één- en soms tweemaal per jaar gemaaid. Ook daar wordt een beheer van maaien en naweiden toegepast. Soms worden delen extensief voorbeweid voor de jonge weidevogels. Andere graslanden worden uitsluitend extensief beweid met ingeschaard vleesvee. De Schotse hooglanders die regelrecht zijn geïmporteerd uit hun land van herkomst, zijn hier ingezet om het gebied jaarrond te begrazen. De dieren zijn hiervoor uitermate geschikt. Met de begrazing kan vergrassing van de heideterreinen worden tegengegaan en de ontwikkeling van boomopslag (bijvoorbeeld van de Berk) worden beperkt. Door selectieve begrazing blijkt de variatie in de begroeiing toe te nemen, terwijl er vloeiende overgangen ontstaan tussen de verschillende terreintypen. Hoewel de uiteindelijke resultaten pas over een aantal jaren zichtbaar zullen zijn, lijkt de ontwikkeling nu al veelbelovend. In oostelijke richting liggen de bezittingen van It Fryske Gea op de wat hogere gronden en behoren ook de bosjes op de flanken van het beekdal tot het reservaat, waardoor aansluiting met de terreinen bij Oldeberkoop tot stand kan komen. De lage graslanden worden gehooid en nabeweid. In de toegewezen gebieden zijn hier en daar nieuwe bosjes aangelegd. De oude riviermeanders zijn in 1995 opgeschoond.