
Zoals de meeste kreekresten wordt de Oosterschenge omzoomd door laagliggende weilanden. Deze weilanden zijn rijk aan vogels en planten. Tot op heden kon slechts een klein deel van dit gebied worden aangekocht. Dit gedeelte is niet ontsloten, maar wel is het mogelijk om vanaf de aangrenzende weg een beeld te krijgen van de rijk gevarieerde flora. Door het voeren van een verschralend hooilandbeheer is er sprake van een grote verscheidenheid aan wilde planten.
Door de afdamming van de Schenge, bij de aanleg van de Wilhelminapolder, voltrok de aanslibbing zich in een versneld tempo. Er volgden verschillende inpolderingen, met als sluitstuk de in 1874 bedijkte Schengepolder. De restgeul van de Schenge die in deze polder ligt is de Westerschenge. De Westerschenge ligt sterk geļsoleerd in het grootschalige polderland. Slechts op enkele plaatsen loopt de kreek op korte afstand van de openbare weg. De rietkraag langs de kreek grenst meestal direct aan het omliggende bouwland. Langs de westelijke oever is een smalle strook grasland aanwezig, waar diverse zeldzame planten voorkomen. De rietvelden zijn rijk aan broedende vogels. Jaarlijks broeden er meerdere paren bruine kiekendieven. Ook allerlei andere rietvogels, zoals kleine karekiet, rietzanger, snor en verschillende eendesoorten behoren tot de regelmatige broedvogels. In de winter verblijven rond de Westerschenge vaak rietganzen en kleine zwanen. Ook de elders nogal schaars voorkomende toppereend is soms in grote groepen aanwezig.