Het gebied is in 1961 in eigendom van Het Groninger Landschap gekomen, die er nu naar streeft om het gebied op de lange termijn weer natter te doen worden door het water in het gebied vast te houden.
Er worden diverse excursies gehouden door het team vrijwilligers wat in het gebied aktief is, en er zijn ook zelf wandelingen te maken, kijk hiervoor even op de kaart voor een overzicht.

Geschiedenis van de Lettelberter Petten.
De Lettelberter Petten liggen aan de zuidzijde van het Leekstermeer en zijn tussen 1900 en 1920 ontstaan door de behoefte aan brandstof.
Doordat men het veen ging afgraven in langwerpige geulen onstonden de "petgaten", het werd te drogen gelegd op de zogenaamde legakkers die tussen de petgaten inlagen.
Hieruit werden de zogenaamde baggelturven gesneden, nadat het veen voldoende gedroogd was werd het afgevoerd in zuidelijke richting via een gegraven "wijk" en het Leekstermeer.
In de tweede wereldoorlog is nog een aantal petgaten ontstaan door afgravingen van turf, daarna was het niet meer lonend en is het afgraven gestaakt.
Hierdoor zijn de petgaten in de loop der jaren weer verland en dichtgegroeid en is er het huidige elzenbroekbos ontstaan. ( in de volksmond staat dit ook wel bekent als het bos van "Olle Mart").
Dit bos werd nog tot in 1964 gebruikt voor brandhout en als geriefhout voor de bewoners van het gebied.
In 1961 is het gebied in eigendom gekomen van het Groninger Landschap wat nu bestaat uit ca. 152 ha (75 %) van het totale reservaatsgebied.
Het grootste deel bestaat uit graslanden die extensief beweid en bewerkt worden zogenaamd vogelvriendelijk beheer.
Toekomstvisie en beheer van het gebied.
Doordat in de huidige situatie het gebied eigenlijk te droog is door o.a. de afwatering op het leekstermeer en het inklinken van het veen door de bodemdaling als gevolg van de aardgaswinning, wil men diverse maatregelen nemen om het tij te keren en het gebied weer natter te maken.
Het streven is om het water weer de ruimte te geven door winterse overstromingen in een deel van de polder toe te laten, zo ontstaan vegetaties als overstromingsgraslanden, grote zeggengemeenschappen, rietlanden en wat wilgenstruweel.
Om tegelijk de openheid van het gebied te behouden en tegemoet te komen aan de ganzen en de weidevogels moet dan over en deel van de polders zomerbeheer worden toegepast. Dit houdt in dat men s' winters overstromingen toelaat en in het voorjaar het waterpeil laat zakken om deze gronden te kunnen maaien en beweiden (extensief).
De overstroming tijdens de jaren '70 is het begin van het weer opengestelde Kerkepad vooraan de weg, zoveel water is nou ook weer niet de bedoeling natuurlijk, dit zijn extreme situaties.
Tevens kunnen vissen zoals snoek hiervan gebruik maken door hier te paaien en de jonge vis te laten opgroeien.
Het gaat hierbij om het oostelijk deel van de polder zodra alle tussenliggende gronden in eigendom zijn.
Voor de Lettelberter Petten geldt dat dit natter moet gaan worden door o.a. het vasthouden van het boezemwater door de afvoersloten te reguleren en water vanuit de zomerpolders over te pompen.
Heden
Op dit moment is ongeveer 75 % van het gebied in eigendom, zolang nog niet het gehele gebied in eigendom is worden er op onderdelen alvast voorbereidende werkzaamheden verricht, zoals het vasthouden van het boezemwater in de petten en het meer toegankelijk maken voor het publiek voor wandelingen.
Tevens is er een nieuwe plas gegraven waar als alles goed is een mooie vogelkijkhut wordt geplaatst.
Kortom het gebied is nog volop in ontwikkeling voordat de gewenste eindsituatie is bereikt, dit is echter op een wat langere tijd gericht.
foto's: Jan Venema
Vogels in de Lettelberter Petten.
In het gebied de Lettelberter Petten, wat voornamelijk met elzen begroeid is, komen o.a. diverse mezensoorten voor zoals kool-, kuif-, staart-, en pimpelmees.
Als spechten komt er naast de grote bonte specht ook de veel zeldzamere kleine bonte specht voor, die hier waarschijnlijk ook broedt.
Zangvogels zijn er ook zoals putter, vink, groenling, grasmus en winterkoning.
De roofvogels die hier zitten zijn buizerd, havik, sperwer en torenvalk en in het riet de bruine kiekendief.
Er is in het bos en op de landen eromheen voldoende voedsel te vinden zoals muizen, mollen en kleinere vogeltjes om hier jongen groot te brengen.
Tijdens de wintermaanden dient het bos als schuilplaats voor groepen koperwieken, kramsvogels en sijzen en diverse soorten mezen en goudhaantjes.

De oeverlanden worden tijdens het broedseizoen bevolkt door weidevogels zoals kievit, grutto en scholekster, maar ook kritische soorten als tureluur en watersnip komen hier tot broeden, daarnaast wordt ook de graspieper en de gele kwik waargenomen en kan men genieten van de zang van de veldleeuwerik.
De rietkragen vormen de broedplek voor zangvogels, zoals kleine karekiet en sprinkhaanrietzanger, en daarnaast fuut, wilde eend, meerkoet en in 1999 waarschijnlijk nog een paartje zomertaling.
In het vroege voorjaar dienen de oeverlanden als pleisterplaats voor onder andere kemphanen en goudplevieren, terwijl ze in de winter dienen als fourageerplek voor vele honderden kolganzen en brandganzen.
foto's: Jan Venema
De 2 foto's van de kemphanene dateren uit eind jaren 70, toen hier nog een toernooi veldje lag.
Wilt u dit zelf eens zien of horen er loopt een wandelroute rondom het bos met goed overzicht over de oeverlanden en de vogelvriendelijk beheerde weidelandjes.
Wil u eens wat meer weten over het gebied en zijn bevederde bewoners dan nodigen wij u ook van harte uit om eens met een van de vele excursies mee te gaan die georganiseerd worden door het vrijwilligersteam.
Wij hopen u eens aan te treffen in dit bijzondere gebied van het Groninger Landschap.