inleiding
 kaart

  
2.298 ha.  
Informatiepaneel aanwezig  
Niet toegankelijk, goed te overzien vanaf de dijk  
Wandelroute door de Sudwaard  
Vogelwaarnemingshut aanwezig  
terug naar natuurkaart  

Makkumerwaarden

Karakteristieken

Noardwaard: schelpenbank, uitgestrekte rietvelden, schraalgrasland, wilgenstruweel en -bos. Súdwaard: rietvelden en natuurontwikkelingsgebied. Koaiwaard: schraalgrasland, begrensd door brede rietzomen en een dicht wilgenstruweel.

Bijzonderheden

Op de Noardwaard werd voor het eerst in Nederland de Waardzegge ontdekt.


Ligging

Gemeente Wûnseradiel, bij Makkum en Piaam.

Toegankelijkheid

De Makkumerwaarden zijn niet vrij toegankelijk, maar vanaf de dijk goed te overzien.

Informatie

Op de Koaiwaard staat (aan de Piamer geul) een vogelwaarnemingshut met informatiepaneel. De hut kan worden bereikt via een pad vanaf de dijk bij de Koaireed, of langs een pad vanuit het Fûgelhûs in Piaam. Dit bescheiden museum staat in het teken van het vogelleven op en rond de waarden.

Geschiedenis

De ontwikkeling van de waarden zoals wij die nu kennen, is pas begonnen ná 1933. Vóór die tijd lagen voor de kust van Makkum al lang één of meer eilanden (Schiltbanck of Groenlandt), maar na een stormvloed in 1776 bleef hier nagenoeg niets van over. Voor de kust lag toen enkel nog een aantal banken. Na 1932, bij de sluiting van de Afsluitdijk, veranderde de situatie rigoureus. Het zoute water werd zoet, het getijdeverschil verviel en de waterstand werd verlaagd, waardoor de (zand)banken permanent droog kwamen te liggen. Geleidelijk kon de ontwikkeling van de vegetatie een aanvang nemen, terwijl diverse vogelsoorten hier een prachtige nieuwe broedgelegenheid ontdekten. Al in 1928 werd er een geul door de platen gebaggerd om de haven van Makkum beter bereikbaar te maken. Zo werden Noardwaard en Súdwaard van elkaar gescheiden. De Noardwaard bleef een eiland. De bagger uit het Makkumer Soal werd opgeworpen op de kop van de Súdwaard (de Sânkop), waar al spoedig enige recreatiemogelijkheid ontstond, die in eerste instantie alleen van plaatselijke betekenis was.

Makkumerwaard. Bron: It Fryske Gea

Noardwaard

Langs de buitenrand van de Noardwaard ontstond door stroming en golfslag een hoge schoorwal van zand met veel schelpen. Deze bank breidt zich nog steeds uit in de richting van de Afsluitdijk. Vanaf de Afsluitdijk is de blinkende kustlijn duidelijk te zien. De bank verplaatst zich ook in andere richting, namelijk landinwaarts. Vroeger was de schelpenbank al bekend door de grote kolonies meeuwen en sterns, waaronder naast visdiefjes grote aantallen grote sterns, soms vijf- tot zesduizend paar, dwergsterns en éénmaal zelfs een Lachstern. Tot in de jaren vijftig waren deze broedkolonies hier aanwezig, maar tegenwoordig zijn ze hier niet meer, ondanks dat grote delen van de schelpenbank er nog zeer geschikt voor lijken. Toch is de bank nog waardevol door het voorkomen van bijzondere pioniervegetaties met Muurpeper en Scherpe fijnstraal. Naast de karakteristieke schelpenbank wordt de waard gekenmerkt door uitgestrekte rietvelden, schraalgraslanden, struwelen en een wilgenbos.
Voor de rietcultuur en -exploitatie is op de waard een aantal poldertjes aangelegd, waarin het water kan worden opgemalen. Niet meer alle rietvelden zijn geschikt om gemaaid te worden, zodat op veel plaatsen is een rijke groei van zeggen en kruiden is ontstaan, terwijl er ook een gedeelte is met veel wilgen. Dit zal er in de toekomst toe leiden dat het gebied sterker bebost raakt. Onder de talrijke zeggesoorten is de meest bijzondere de Waardzegge, die in 1960 voor het eerst in Nederland op de Noardwaard werd gevonden en zich daar een aantal jaren wist te handhaven. De Noardwaard kent overigens nog meer belangwekkende soorten. Zo heeft zich hier een flinke populatie van de Groenknolorchis weten te vestigen. Bijna overal is deze orchidee sterk achteruitgegaan, maar hier heeft hij een veilige, nieuwe standplaats gevonden. In de slootjes die ten behoeve van de bevloeiing zijn gegraven, bloeien in de zomer veel Loos en Groot blaasjeskruid. Bovendien staat in de diepe trekkersporen in de verlaten rietvelden veel Klein blaasjeskruid. Ook dit komt tot rijke bloei, maar de plantjes zijn in de onoverzichtelijke vegetatie lastig te vinden. In verruigende rietveldjes wordt hier en daar de halfparasiet Moeraskartelblad gevonden. Het betreft de merkwaardige éénjarige ondersoort die pas laat in de zomer begint te bloeien, maar dan wel bijna doorbloeit tot de vorst invalt. Het voorkomen van deze ondersoort lijkt in Nederland beperkt tot de waarden.
Natuurlijk kent zo'n gevarieerd gebied in alle seizoenen een rijke vogelbevolking. Op en nabij de Makkumerwaarden zijn de laatste jaren meer dan 220 verschillende vogelsoorten vastgesteld. Onder de broedvogels bevinden zich zeldzame moerasvogels als Snor, Baardmannetje, Grote karekiet en Roerdomp. Boven het riet zweeft in de zomer bijna altijd wel een Bruine kiekendief en in de struwelen klinkt in het vroege voorjaar de zang van Blauwborst en Rietzanger. In het wilgenbos op de Noardwaard zit al jaren een flinke broedkolonie van de Blauwe reiger. In het vroege voorjaar kan men de vogels ter hoogte van Makkum vanaf de dijk op hun nest zien zitten. Ook broeden hier specifieke bosvogels, zoals Wielewaal, Grote bonte specht, Havik en bovendien zeldzame soorten als Buidelmees en Roodmus. Onder de niet-broedende vogels die hier gedurende korte of langere tijd verblijven, bevinden zich Fuut, Kuifeend, Brandgans en Kemphaan. Voor veel soorten is de Friese IJsselmeerkust een belangrijke schakel in de levenscyclus: een plaats om te ruien, uit te rusten en aan te sterken tijdens de trek, of om te overwinteren. Om deze functies veilig te stellen, zijn langs de hele kust veel terreinen en grote stukken aansluitend ondiep water onder de werking van de Natuurbeschermingswet gebracht. Tussen de Afsluitdijk en de Noardwaard zijn haast altijd veel pleisterende vogels te zien. In het ondiepe water bevinden zich grote aantallen vogels. Vanaf de parallelweg langs de Afsluitdijk kunnen ze (bij goede belichting) met kijker en telescoop worden geobserveerd. Meestal zijn het diverse eendensoorten, zwanen en ganzen, maar ook lepelaars en soms zelfs flamingo's.
Ook reeën worden op de Noardwaard aangetroffen. Heel bijzonder is het voorkomen van de Noordse woelmuis, een soort die zich na de laatste ijstijd in enkele moerasgebieden in Nederland heeft weten te handhaven. Van de talloze soorten insecten is het voorkomen van de Moerassprinkhaan vermeldenswaard, een niet-algemene soort van zompige graslanden. De bloemrijke ruigten trekken veel vlinders aan, waaronder trekvlinders als Atalanta en soms zelfs de Oranje luzernevlinder.

Atalanta. Bron: It Fryske Gea

Súdwaard

Een groot deel van de Súdwaard is na de Tweede Wereldoorlog ingepolderd en in cultuur gebracht. De zuidpunt van de Súdwaard is evenwel nog een belangrijk natuurgebied. Een deel is omkaad voor de rietcultuur. In de rietpolders ziet het in het vroege voorjaar op veel plaatsen geel van de dotterbloemen. Daarnaast komen op veel plaatsen ruigtekruiden voor als Grote kaardenbol, Koninginnenkruid, Moerasspirea en Moerasmelkdistel, waar s zomers veel insecten op afkomen. Langs de paden bloeien in de zomer de gele bloemen van Heelblaadjes - zoals de naam al aangeeft een geneeskrachtige plant. Net als op de Noardwaard bevindt zich bij het begin van de waard een vrij groot terrein met opslag en verbossing, waar eerder riet werd geoogst. Hier worden Klein hoefblad, Heermoes en Reukloze kamille veel gezien. In de riethopen vindt de Witte kwikstaart nestgelegenheid. De broedvogelbevolking is op de Súdwaard wat minder gevarieerd dan op de Noardwaard. Een kenmerkende soort voor de natte rietpolders is het Porseleinhoen. In mei en juni kan in de avondschemering de op een zweepslag lijkende roep van deze vogel tot ver in de omgeving worden gehoord. Ook de Roerdomp laat dan zijn misthoorn klinken. In de zomer zit het riet vaak onder de luizen. Rietzangers en kleine karekieten komen daar in groten getale op af om er hun jongen mee te voeren of er zelf een vetvoorraad van op te bouwen voor de trek naar het zuiden. Vóór de Súdwaard bevinden zich in het ondiepe water van het IJsselmeer soms grote aantallen knobbelzwanen en kleine zwanen. Zij doen zich daar tegoed aan de knolletjes van het Schedefonteinkruid, een waterplant die er veelvuldig voorkomt.

Koaiwaard

De Koaiwaard kenmerkt zich door het grote open middengedeelte, begrensd door brede rietzomen en een dicht wilgenbos. De vochtige en schaduwrijke omstandigheden in het wilgenbos hebben ervoor gezorgd dat veel stammen rijkelijk begroeid zijn met fraaie mossen en korstmossen. Op het middengedeelte zijn grote oppervlakten bedekt met Tweerijige zegge. Ook de forse Pluimzegge en de Valse voszegge vallen op. Zoals op alle waarden staat ook hier de bastaard tussen deze twee soorten, die elders in Nederland nergens wordt aangetroffen. Verder is op de Koaiwaard de Blaaszegge te vinden, een voor Friesland bijzondere soort. Daarnaast verdient het rijke voorkomen van de fraaie Ronde zegge vermelding. De forse Galigaan heeft zich op één plaats op de waard weten te vestigen: een plek die zich als een soort heksenkring steeds verder uitbreidt. De plantenwereld op de Koaiwaard is van een grote verscheidenheid en biedt vaak een bijzonder kleurige aanblik. In het vroege voorjaar bijvoorbeeld door de uitbundige bloei van Gewone dotterbloem, die langzamerhand op alle waarden is ingeburgerd. Later in het seizoen zijn vooral op het open middenstuk orchideeën te vinden: zowel de Vleeskleurige orchis als de prachtig donker gevlekte, zeer forse Rietorchis. Ook de Echte koekoeksbloem zorgt voor een fleurige toon tussen de zeggen. Tegen de rietrand bloeien rijk de Poelruit en veel bescheidener de roodpaarse bloemen van de tussen het riet omhoogklimmende Moeraslathyrus. De Gewone smeerwortel staat er in een aparte, slanke waardvorm. Bij inventarisaties zijn meer dan 170 soorten hogere planten vastgesteld. Vanuit het Fûgelhûs in Piaam, een bescheiden vogelmuseum dat gewijd is aan de waarden, leidt een wandelroute via een houten bruggetje naar de Koaireed. Het pad loopt tussen een rietlandje met plas en weilanden. In het voorjaar bloeit in het rietlandje de Gewone dotterbloem, wat hier binnendijks iets bijzonders is. In de zomer bloeit er veel Echte valeriaan en Poelruit. In het lage gedeelte foerageren soms tientallen watersnippen. Vanaf de Koaireed leidt een trap over de IJsselmeerdijk waar een mooie wandeling begint naar een observatiehut op de noordpunt van de Koaiwaard. De ruige begroeiing langs het pad trekt in de zomer veel vlinders, libellen en op wespen lijkende zweefvliegen aan. Op de brandnetels langs het pad zitten vaak de zwarte, stekelige rupsen van de Dagpauwoog. Dit waterrijke gebied is natuurlijk ook in trek bij veel amfibieën. Op het pad wemelt het soms van de pas uit het water gekropen jonge padden en bruine kikkers. Het pad en de observatiehut zijn uitermate geschikt om naar vogels te kijken, in dit overigens vrij ontoegankelijke gebied. In het ondiepe water voor de observatiehut, dat ze bescherming biedt tegen roofdieren vanaf het land, bevinden zich vaak honderden steltlopers en eenden. In juli en augustus kunnen vanuit de hut van heel dichtbij lepelaars worden geobserveerd. Deze broeden hier niet, maar komen na het broedseizoen op de waddeneilanden graag met hun jongen naar de Friese IJsselmeerkust om aan te sterken voor het vertrek naar de overwinteringsgebieden in Afrika. Op de lange paal voor de observatiehut zit in de nazomer soms een Visarend. Aparte vermelding verdient nog het imposante voorjaars- en najaarsverschijnsel van de geweldige troepen spreeuwen die hier in het riet, maar vooral ook in het wilgenbos slapen. Duizenden en duizenden strijken er dan neer op de waard. Vaak worden ze tijdens de vlucht belaagd door roofvogels.

Visarend. Bron: It Fryske Gea

Beheer

De grazige stukken op Noard- en Koaiwaard worden beheerd als hooiland en in de zomer gemaaid. Het in cultuur gebrachte middendeel van de Súdwaard wordt in het kader van natuurontwikkeling omgevormd tot een voor veel vogels aantrekkelijk natuurgebied met ondiep water en een bloem- en kruidenrijke begroeiing. Hier worden ook nieuwe wandelmogelijkheden gecreëerd. In het overige deel zal rietsnijden blijven plaatsvinden, waarbij, met het oog op vogelbroedgelegenheid, een deel oud riet blijft staan.

  


Voor meer informatie over It Fryske Gea: www.fryskegea.nl