Bijzonderheden
Belangrijk vogelgebied. Pleisterplaats voor ganzen, eenden en steltlopers. Deels zeer belangrijk als broedgebied voor weidevogels. Zomerpolders met kruidenrijke hooilanden en bouwlandjes met akkeronkruiden.

Ligging
Gemeenten Leeuwarden en Tytsjerksteradiel, tussen Leeuwarden en Gytsjerk.
Toegankelijkheid
Vanwege de functie die de Ryptsjerksterpolder heeft als pleisterplaats en broedgebied voor vogels, is het gebied uitsluitend in de periode van 15 juni tot 1 oktober opengesteld voor het publiek. In verband met de aanwezigheid van vee, zijn honden (ook aangelijnd) hier niet welkom. Vanaf de picknickplaats aan de westzijde van de Westerdyk begint een tweetal wandelroutes, waarbij na honderd meter een uitzichtheuvel wordt bereikt. Een ongemarkeerde, rondgaande wandelroute over de polderdijken om Wielsicht, inclusief twee uitzichtheuvels, is het gehele jaar open voor het publiek. Honden zijn hier welkom mits aangelijnd. Vlak bij het bedrijfsgebouw van It Fryske Gea aan de Kooiweg, ten zuidwesten van Gytsjerk, staat een vogelkijkhut die permanent voor het publiek open is. Vanaf het parkeerterrein bij de vogelkijkhut bestaat de mogelijkheid te wandelen door de Binnemiede- en Weeshūspolder. Heen en terug ongeveer 3 km. Aangelijnde honden zijn hier welkom.
Informatie
In de vogelkijkhut en bij de picknickplaats aan de Westerdyk staan informatiepanelen.
Geschiedenis
Het ontstaan van de Wielen lijkt een combinatie van invloeden vanuit de nabijgelegen vroegere Middelzee, en stagnatie van het uittredende water uit het vroeger oostelijk gelegen hoogveencomplex. Door opslibbing van de oostelijke kwelderwal van de Middelzee, kon het uit het hoogveen afkomstige water niet meer naar zee afstromen en ontstond ter plaatse een natte kom. Via een andere route zorgde het riviertje de Murk vervolgens voor de afvoer naar zee. Overstromingen van de zee veroorzaakten erosie van de veenpakketten en er ontstonden meertjes. Turfwinning in recentere tijden is de oorzaak van het ontstaan van de verschillende petgatencomplexen. Al eeuwen geleden is het gebied in cultuur gebracht. Sinds 1974 heeft het de status van natuurgebied. De beide eendenkooien zijn zeker ouder dan 350 jaar en hebben hier met hun kooibosjes al eeuwenlang het beeld bepaald.

Grutte Wielen. Bron: It Fryske Gea
Overgangsgebied tussen zand en klei
Het Wielengebied vormt met het veen rond de meertjes een overgang tussen de Wālden en de kleistreek. Het stroomdal van de Ryd ligt ingeklemd tussen hogere gronden. De zomerpolders die gedurende het winterhalfjaar onder water staan herbergen een kenmerkende flora. Opvallende soorten zijn Dotterbloem, Grote ratelaar en verschillende zeggen en grassen. Het Klein glaskroos, dat in 1974 voor het laatst in Nederland is waargenomen, is hier in 1998 weer aangetroffen. In herfst, winter en voorjaar zijn op de ondiepe watervlakten duizenden eenden, ganzen en steltlopers aanwezig. In de maanden april en mei bieden de graslanden een leefgebied voor een gevarieerde weidevogelbevolking. Vermeldenswaard is het grote aantal broedparen van de Gele kwikstaart. In de petgatencomplexen, die nu vooral bestaan uit riet- en zeggevegetaties, broeden Bruine kiekendief, Baardmannetje, Roerdomp, Blauwborst, Waterral en veel rietzangers en kleine karekieten. De Binnemiede- en Weeshūspolder bieden nog de aanblik van ouderwets, kruidenrijk boerenland met veel pinksterbloemen, boterbloemen, Zuring en oorspronkelijke wilde grassen.

Gele kwikstaart. Bron: It Fryske Gea
Beheer
De zandgronden binnen de Ryptsjerksterpolder worden permanent begraasd door een kudde Exmoorpony's en Soayschapen. Door hun selectieve graasgedrag zorgen deze dieren voor een structuurrijke begroeiing. De hoogst gelegen delen van het gebied worden jaarlijks eenmaal gemaaid en gehooid, met als doel te komen tot een verschraling van de bodem, zodat de variatie in de flora kan toenemen. De zomerpolders worden jaarlijks gehooid na 1 juli en veelal nageweid met jongvee of schapen. Het beheer is vooral gericht op de flora. Om die reden vindt er geen bemesting plaats. De rietlanden worden in de winter gesneden. Bij het beheer van de Binnemiede- en Weeshūspolder ligt het accent op de weidevogels. Hier wordt juist ruige stalmest gebruikt, omdat die een positieve invloed heeft op het bodemleven: vooral regenwormen vormen een belangrijk onderdeel van het voedselpakket van weidevogels. Maaien vindt plaats na 15 juni, waardoor de jonge vogels weinig risico lopen. De waterhuishouding is eveneens afgestemd op de wensen van de weidevogels.

Exmoorpony's. Bron: It Fryske Gea